In de traditionele economische theorie zijn de drie basis productiefactoren: arbeid, kapitaal en natuur. De afgelopen decennia wordt daar steeds nadrukkelijker de factor kennis aan toegevoegd.
In de jaren negentig naar de opbouw van de Internetbubbel geloofden zelfs steeds meer mensen dat er iets aan het ontstaan was dat werd geschaard onder de kenniseconomie en dat die zich zou onttrekken aan de wetten van de dan bekende economische processen. Dat bleek wel mee te vallen, maar het begrip kenniseconomie is niet meer weg te denken. Veel westerse landen, waaronder ook Nederland, zien in de kenniseconomie dé oplossing voor wat wordt beschouwd als de bedreiging van de opkomst van landen als India en China, waar het afgelopen decennium veel laaggeschoold productiewerk heen is verhuisd.
Maar weinigen lijken zich echt af te vragen wat dat nou precies is, die kenniseconomie die ons moet gaan redden, en op z’n best geeft iedereen er zijn eigen invulling aan. Zo betoogde Jan Karel Lenstra, directeur bij het CWI nog deze week dat het voor de onze kenniseconomie nodig is dat Nederland een van de vijf aan te schaffen Europese supercomputers gaat kopen. Daar waren u en ik niet zo gauw opgekomen. Voor anderen (het Innovatieplatform ““ bestaat dat nog eigenlijk? -) gaat het erom dat we als land het meest van allemaal verstand krijgen van “Flowers & Food’ (Bloemen en Eten maar dat klinkt minder belangrijk in de oren van Nederlanders). Het Centraal Planbureau komt (in 2002) eigenlijk niet verder dan deduceren dat de kenniseconomie iets te maken heeft met een hoog en stijgend opleidingsniveau en koppelt het thema aan verandering en aanpassingsvermogen.
Dat laatste vind ik wel interessant, want volgens mij is het continue veranderen / innoveren en het daarbij horende aanpassingsvermogen waar het echt om gaat. Als het gaat om het nadenken over waar het met de Nederlandse economie naartoe moet (wat al best lastig is, want de laatste keer dat ik keek waren we geen geleide planeconomie) springen er 2 zaken uit:
1) Nederland is geen productieland maar een diensten- en handelsnatie en
2) kennis kan je kopen.
Bestuurlijk, politiek en wetenschappelijk Nederland vertalen de kenniseconomie naar wetenschappelijk onderzoek en technologische innovatie. Het is zeer de vraag of dat de juiste focus is. Het mag zo zijn dat de opkomst van India en China heeft geleid tot het verplaatsen van laaggeschoold werk naar Azië, maar dat betekent niet dat we ons dus kunnen onderscheiden met een hoog kennisniveau. Misschien nog een paar jaar, maar op langere termijn zeker niet. In China bestaan meer dan 2000 universiteiten en hogescholen, met meer dan 25 miljoen studenten. Dit jaar komen er zo’n 5 miljoen afgestudeerden op de arbeidsmarkt. Daar valt niet tegenop te concurreren wat kennisniveau betreft, supercomputer of niet.
Waar het verschil echt ontstaat is bij wat je uiteindelijk met je kennis doet. En daar verschillen we voorlopig nog wel even. Met het CPB geloof ik dat veranderingsgezindheid en continu aanpassen aan nieuwe situaties cruciaal is voor het succes van de kenniseconomie. En daar liggen ook onze kansen. Want met onze handelsachtergrond en een vleugje opportunisme zijn we al eeuwen succesvol en dat kopieer je maar niet zo makkelijk; deels ook omdat dit gaat over gedrag, attitude en competenties en die worden voor een belangrijk deel ook cultureel bepaald.
Ziedaar: het succes van de kenniseconomie gaat niet over kennis, maar over competenties. Het vermogen wat met die kennis te doen. De instelling om telkens te willen veranderen, kansen te zien, te innoveren en het daarbij horende vermogen dat ook te realiseren. Competenties kan en moet je ontwikkelen en daar kunnen we ons mee onderscheiden. Kennis is te koop.
Auteur: Marco Frijlink (marco.frijlink@comaea.nl)

Nog geen reacties